Tag archieven: Minka Kaszó

Minka Kaszó – Landelijke vereniging van kinderen van verzetsdeelnemers 1940-1945

DAGBOEK CONCENTRATIEKAMP DUINDORP

Thuis betekent hier alles en alles.

Maandag 23 december 1946.

Ik heb me, op deze dag voor Kerstmis, voorgenomen de komende dagen zo lang mogelijk te schrijven, alleen voor jou, elke dag minimaal één stukje. Of het zal lukken staat nog te bezien. De wil is er. Ik maak het best, ik hoop jullie allemaal ook. Ik zal blij zijn als het nieuwe jaar zijn intrede doet, het zal allicht beter zijn dan het afgelopen jaar, dat hoop ik maar. Gedurende deze feestdagen wordt voor de politieke delinquent nogal wat drukte gemaakt: optredens en zelfs radiomuziek, waarschijnlijk luisteren we nu naar hetzelfde programma. We repeteerden veel met het koor, het belooft mooi te worden. Buiten ‘een nieuwe mis van Stehle’ zullen we vannacht de ‘Kerstcantate’ zingen, ‘Stille Nacht’, ‘Oh, carissima’ en ‘Ardente Fidelis’, het lied dat jij zo dikwijls zingt, weet je wel, dat van ‘Christus is geboren, zingen d’engelen-koren’. De kerk is prachtig, heel mooi versierd.

Op oudejaarsavond, vlak voor de jaarwisseling, zal door de gedetineerden een groot Sylvesterspel worden opgevoerd, waarover ik je later zal vertellen.

Aan jullie denken, tijdens deze dagen, probeer ik maar zo weinig mogelijk, anders voel ik me zo weemoedig, ik houd dat niet uit, voor het eerst in mijn leven breng ik dit feest niet in familiekring door. Nu beleef ik pas echt wat kerstfeest voor me betekent. Het is het feest van het gezin, ook esthetisch gezien is het zo fraai.

Er moet nu al in het programma worden geschrapt, zojuist zijner weer een paar opgeroepen om naar huis te gaan, één van hen had de leiding in het kerstspel. Ook van mijn kamer is er weer één naar huis, wanner ben ik aan de beurt? Van de berooide elementen liggen er hier nog maar een paar, de zogenaamde ‘oude ploeg’ bemoeit zich nu niet meer zo met hen, waardoor het aanzienlijk minder aangenaam is geworden. Gelukkig kerstfeest hebben de lui die huiswaarts gingen.

eerste kerstdag

De hele week at ik van jullie pakje, lekker. Er zit zelfs nog wat in en met de tabak kan ik wel een poosje vooruit, die bewaar ik altijd voor het laatst. Ik zit nu in de grote, holle feestzaal met naakte witte muren, versierd met wat groen. Over de lange tafels liggen dekens, zodat ze er niet meer zo kaal uitzien. Uit een grammofoon komt muziek. Heel bijzonder. Het klinkt een beetje schor, maar dat mag niet hinderen. Het is de kwelende stem van Bing Crosby. Tussendoor komt af en toe de stem van de gedetineerde omroeper. Zo’n kleine honderd man zitten in de zaal, te lezen, te kaarten of alleen maar te hangen. De rest kroop van ellende het nest in.

Trouwfoto Piet en Kitty Wapperom

Vanmorgen om vier uur was ik al op voor de nachtmis. Het was echt mooi. Veel bekende kerstliederen zongen we. Wel jammer dat de ‘Kerstcantate’ werd verpest in een solopartij van een tenor, het sneed je door de ziel zo vals als die man zong. Daarna zat bij ons ontbijt een dominee aan tafel, die een korte toespraak hield, in elk schoolblok was dat zo geregeld. Nu hoor ik de muziek van Theo Uden Marsman en zijn Ramblers.

Mijn kamer is werkelijk een zwijnenpan. De kamerwacht is verhuisd naar een andere kamer, voor hem in de plaats is er nu een viezig mannetje dat de boel verwaarloost. Het is allemaal liefdewerk oud papier, dus kunnen we er niet veel van zeggen. Er loopt trouwens nog zo’n viespeuk rond, die we professor Van der Hoogte noemen. Een ex-Landwachter, broodmager en oerlelijk, zo mager dat hij zelfs recht heeft op een extra ziekenrantsoen. Om dat dan, zodra hij het heeft ontvangen, te verpatsen voor wat tabak, dat haast nooit in zijn pakje zit, zijn vrouw is straatarm. Als ze hem voor controle wegen, trekt hij al zijn kleren uit, op een overhemd en een broek na, omdat hij zo licht mogelijk wil zijn om nog een extra rantsoen te kunnen pakken, dat hij vervolgens niet eet, waardoor hij dus nog meer gaat verdienen. Een enorm eigenwijze kerel, die van alles op de hoogte is, je hoeft hem niks te vertellen of hij weet het beter. Zijn lichaam zit onder de puisten en rode vlekken, ook één op zijn achterwerk, dat lijkt zo op de kont van een aap. Kortom: het is een onesthetisch mannetje.

Je begrijpt dat in al die viezigheid voor ons het baden een aangename bezigheid is, als er tenminste water uit de kraan komt. Dat is altijd afwachten. Diverse huizen zij als badgelegenheid ingericht. Boven is voor ons de kleedkamer. Daar is het zo heet als de hel en omdat de kachel er staat te branden op hout dat voor stutwerk in de bouwerij werd gebruikt, stinkt het ook nog ontzettend. Ongeveer twintig man, jong en oud, kleden zich in die hitte en die stank poedelnaakt uit. Dan rennen ze op het seintje van de gedetineerde badman die daar de godganse dag in die stinkende behaaglijkheid aan het vertoeven is, de ijskoude gang door. Trap af, hup, hup, hup … en onder die ijskoude douche, die dan langzamerhand wat warmer wordt, als je een beetje mazzel hebt. Als je van dat meer hebt, heb je zelfs een douche voor jezelf alleen, anders moet je met zijn tweeën de waterstraaltjes  delen. Soms duurt het vijf, soms tien minuten, dan ren je weer naar boven om je vlug aan te kleden, voordat de volgende ploeg komt, want die staat meestal al te trappelen van verlangen om het festijn te mogen meemaken. Toen ik voor het eerst in Kamp Duindorp was, ging alles met vrolijke muziek gepaard: de beenderen in de uitgehongerde lichamen kon je horen klepperen. Nu merk je daaraan dat het wat eten betreft beter is, lagen vlees en vet zijn inmiddels over de botten gekomen, heel behoorlijk zien de meesten er uit. Ik ben pas gewogen en ook 2 kilo aangekomen. Ruim 64 kilo weeg ik, een behoorlijk gewicht, toch … voor zo’n klein mannetje.

Er heerst hier zo’n eigenaardige humor, waar je echt in moet groeien. Je moet het een poosje meemaken om het te kunnen aanvoelen. Als je net in dit gedetineerde milieu komt, en bovendien anti bent, ben je vaak ontzet over de uitdrukkingen die hier worden gebezigd en over de vreemde onderwerpen waarover ze kunnen schateren. De meest verschrikkelijke dingen worden hier weggelachten. “Waar zit jij voor?“ Die veelgestelde vraag wordt bijvoorbeeld beantwoord met: “Oh, ik ben een tijdje portier geweest bij het massagraf, maar daar ontving ik te weinig fooi, toen heb ik me naar de gaskamer laten overplaatsen. Nu heeft de Politieke Recherche Afdeling op een jaspenning mijn vingerafdruk gevonden. Daarvoor zit ik nu hier.”

Lugubere humor, en toch, als je het vaak hoort, raak je eraan gewend. Een vorm van degeneratie, denk ik. Of misschien is het wel een vorm van acclamatisatie. Mijn indruk van al die verschrikkingen die door de Duitse, in het geheim opererende KG-legers zijn aangericht, is door die verhalen niet afgezwakt. Integendeel. Het is beestachtig wat zich onder dat regime afspeelde, meer dan beestachtig, de verhalen die je moet aanhoren zijn vaak niet te verdragen en niet te verwerken: het is allemaal zo erg geweest …Daartegenover staat dat je hier voor andere dingen meer begrip krijgt, omdat hier genoeg mensen zitten die helemaal niet verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor wat de Duitsers deden. Idealisten, die ten koste van alles hun grootse gedachten wilden verzekeren en die ook een afschuw hadden van de verschrikkelijke terreur. Heel humaan eigenlijk, heeft een aantal van die lui zich in die tijd gedragen. Bij politiek gedoe is recht-vaardigheid vaak ver te zoeken, bewijst de geschiedenis door eeuwen heen.

Als ik aardig op dreef ben met mijn geschrijf, kan ik zomaar worden onderbroken. Net wilde Ed Koenders, die pas een week geleden werd gearres-teerd, mijn aandacht. Voor de oorlog was hij bij de NSB, maar in 1940 bedankte hij om lid van de SS te worden. Halverwege 1942 duikt hij bij de Landelijke Knokploegen onder in de illegaliteit. Ed is een sympathiek mens, onmogelijk lang en tamelijk krom. Hij is afkomstig van een goede familie. Nu verdiept hij zich in zowel biologie als filosofie. Hij heeft allang zijn buik vol van de NSB en zijn nieuwe orde. Uren zitten we te kletsen over allerlei onderwerpen. Zonet ging het over boed-dhisme, marxisme en de structuur van atomen. Daarna gingen we eten en ben ik naar bed gegaan. Wakker geworden en weer gaan eten. Nu is het halfzeven, ik zit weer in de zogenaamde recrea-tiezaal, met tegenover me Gerrit Verklager en dezelfde Ed Koenders.

Nu is het halftien. De eerste kerstdag is bijna voorbij, om halfelf is het appel, dan gaan we naar bed. Met Ed was ik een tijdje met een kruiswoordpuzzel bezig. Zojuist luisterden we naar een nogal flauw kerstverhaal en zo-even hoorde ik door de luidspreker zelfs enkele korte nieuwsbe-richten. “Hoe kun je in zo’n drukte, met al die herrie om je heen, rustig zitten schrijven?” vraagt Ed. Hij kan dat maar niet begrijpen. Morgen komt Onraad op Montebleu, een kerstspel met daarin ons koor. Het wordt opgevoerd inde kerk.

Vandaag voelde ik me niet zo bedrukt, Kitty, wel vanmorgen in de kerk. Ik heb zoveel mogelijk afleiding gezocht, ik wil niet merken dat het Kerstmis is. Wat voel je hier toch goed wat het betekent een gezin te hebben, een thuis, thuis betekent hier alles en alles. Vanmorgen is er weer één naar huis gegaan, hij was veroordeeld tot aan eerste kerstdag. Zijn vrouw stond buiten de vierdraads op hem te wachten.

Uit: De spinvlieg, pag. 183-185. Auteur: Hugo Wapperom. De vader van ons lid Hugo Wapperom werd na de oorlog valselijk beschuldigd van verraad en zat onbegrijpelijk lang gedetineerd tussen allerlei oorlogsmisdadigers. Een van de rode draden in dit boek zijn de brieven die de ouders in die tijd aan elkaar schreven. Wij bespraken dit boek voor u in het lentenummer van dit jaar. Op onze website meer over dit boek.

       Site Verzet in en om Dordrecht

“Fascinerend. De spinvlieg spreekt voor zichzelf, geeft een aanvulling op wat wij menen te weten over die tijd en zet die mening deels op losse schroeven.

Altijd is de werkelijkheid in beweging, zoals het water van de rivier, zei pa me in zijn jonge jaren, pratend over de oorlog. De werkelijkheid is wat ze in jouw hoofd is, ze is anders dan in het hoofd van een ander. Ze is deel van een stroom waarvan alle hoofden deel zijn, ze is vlottend. In zekere zin is ze dus wat jij wilt dat ze op een bepaald moment voor jou is.’

De schrijfwijze is te karakteriseren als zorgvuldig, behoedzaam – in die zin afstandelijk – gedragen en bloemrijk.

Het recht, daaraan klampten ze zich vast, rechtvaardigheid was waar ze voor streden, vele jaren lang, jaren voor en in de oorlog.’

Die man, die pa van mij, zat gevangen in zijn tijd, omhuld door een dun laagje van wat we nu de “vrije keuze” noemen.’

Deze in de geschiedkunde gegronde roman geeft een zeldzaam beeld van die tijd, ook die van direct na de oorlog. Eigenlijk is het een aantal boeken ineen: een verhaal over de relatie van twee jonge mensen, een beeld van het verzet, een geschiedkundig tijdsbeeld waarin we zien hoe WO2 ontstond en wie erachter zaten, en dat dit niet alleen Hitler en zijn trawanten waren maar ook oorlogsindustrieën, in belangrijke mate, zij die van oorlog profiteerden. Politiek gekonkel. Een aanklacht. Eén die een bedenkelijk beeld geeft van de betrokkenheid in die tijd van ondermeer prins Bernhard.

Minka Kaszó, van Nieuwsbrief Landelijke Vereniging Kinderen van Verzetsdeelnemers 1940 – 1945.

Minka Kaszó over ‘Beangstigende Begeerte’

De BEANGSTIGENDE BEGEERTE gaat over de bredere achtergrond van de Tweede Wereldoorlog. Het boek ademt een chaotische sfeer, net als die periode destijds. Er blijft steeds veel te raden over. Een verklaring van de titel vind ik op pag. 331: ‘’Over mensen die zich deels om ons heen bewegen heb ik het nu, zij die gedreven worden door hun eigen begeerte, van welke aard dan ook. Maar bijvoorbeeld ook dat in die zin de moraal niet bestaat.’ Mooie uitspraak op pag. 245: ‘Intelligentie is een samenraapsel van vele vaardigheden die we ons eigen maken in de loop van onze ontwikkeling.’

We bevinden ons met de fictieve hoofdpersonen Ebbe Schwarz en Hannah Berghmann afwisselend grotendeels in Frankfurt en Berlijn. Het verhaal begint kort na Dolle Dinsdag, eind 1944, de Russen naderen Berlijn. De laatste hoofdstukken spelen zich af in o.a. Bern en Eindhoven. Hugo doet lang over het schrijven van zijn boeken en vooral het uitzoeken van de materie. Het wemelt weer van de complottheorieën. En hoe grote geldmagnaten feitelijk achter de (organisatie van de) oorlog zaten. Ook prins Bernhard komt er weer niet best vanaf, met choquerende details.

Het boek is merendeels in de dialoogvorm geschreven, soms in de ik-vorm. De hoofdpersonen delen hun gedachten met elkaar. Hugo heeft in dit boek voor een merkwaardig taalgebruik gekozen, met o.a. zeer ongebruikelijke woordvolgordes. De dialogen zijn niet in normale spreektaal. Dit werkt enigszins vervreemdend, wat ongetwijfeld de bedoeling is. De details van de achterliggende feiten ramt Hugo er behoorlijk in, door ze geregeld te herhalen. Dat helpt wel om de rode draden vast te houden.

De hoofdpersonen zijn beiden een soort spionnen, blijken elkaar uit hun schooltijd te kennen en zijn nu voor een gelijksoortige taak gesteld, in opdracht van o.a. Martin Borrmann (hier de Nek genoemd) en Max Ilgner, baas van IG Farben (hier de Chemiereus geheten). Het gaat vooral om het bestuderen en veiligstellen van belangrijke documenten. Er ontstaat een heftige liefdesrelatie tussen de twee hoofdpersonen. Meer en meer houden zij zich bezig met elkaar en het zoeken van een persoonlijke overlevingsstrategie.

Op de site van de uitgeverij vond ik een zin over het boek die van Hugo afkomstig moet zijn, hem kennende: ‘Wie weet helpen we de huidige wereld een beetje de goede kant op, alleen al door na te denken over de laatste oorlog, dus mede over de wereld.’

Achterin het boek staat een beperkte lijst met uitleg van de historische personen die in het boek voorkomen.